|
De das behoort tot de familie der marterachtigen.
De
gewone das bewoont Europa en Noord- en Midden-Azië.
De das is een vrij plomp, krachtig gebouwd dier met een
nogal lange spitse neus. Totale lengte ongeveer 1m., het mannetje een
beetje groter dan het vrouwtje. Gewicht: gemiddeld 12 kg.
De das bezit korte poten met indrukwekkende klauwen. Hij
heeft vijf tenen aan zijn poten, zodat de sporen verschillen met die van
de hond. (vier tenen)
De vacht heeft een donkergrijze kleur met een
karakteristieke en opvallende zwart-witte koptekening. De buik en de poten
zijn zwart.
Dassen hebben
een enorm goed gehoor en reukvermogen, maar hun zicht is wat minder.
Dassen houden van een gevarieerd landschap. De das houdt van een gebied
met een niet te intensieve landbouw met behoorlijke stukken
weiland (vanwege de wormen die hij veel eet), ook akkers, boomgaarden,
bosjes, heggen enzovoort moeten voorkomen. Hij heeft een voorkeur voor
hellingen
.De sterke klauwen aan de voorpoten worden gebruikt voor
het uitgraven van het dassenverblijf, de burcht. Een burcht wordt bij
voorkeur gegraven in bebost terrein, omgeven door grasland. Er wordt een
uitgebreid ondergronds gangensysteem uitgebouwd met verschillende
ingangen. Zo'n burcht wordt door generaties van dassen gebruikt gedurende
tientallen jaren.
De das
is een alleseter die leeft van een zeer gevarieerd, voornamelijk zacht en
klein voedsel. Regenwormen vormen een belangrijk deel van zijn voedsel.
Daarnaast eten ze ook allerlei soorten wormen, insecten(kevers en hun
larven), slakken, amfibieën en kleine zoogdieren(jonge konijnen, muizen,
mollen)en zelfs egels en wespen. De das eet ook veel plantaardig voedsel,
zoals appels, knollen, eikels, bessen, gras, paddestoelen, maïs en granen.
Een mannetje en een vrouwtje blijven waarschijnlijk hun
hele leven bij elkaar. De paartijd valt in juli en
augustus. De jongen worden geboren in februari
of maart. Het aantal jongen varieert van 1 tot 5.Bij de geboorte
zijn ze blind en doof en hebben ze een witachtige kleur. Na 30 dagen gaan
hun ogen open. De moeder zoogt de jongen een
3-tal maanden. De eerste 6-8
weken blijven de jongen ondergronds, daarna verlaten ze voorzichtig de
burcht. In oktober verlaten ze hun ouders.
|