|
De Romeinen waren zeer bedreven in de
kleibakkerskunst: karelen, potten, dakpannen, kookpannen en rode
plaveien of 'tichelen' (In het Latijn: 'tegula').
Nog niet zo heel lang geleden waren de rode plaveien nog
in de mode in de huizen. Zo'n plaveibakkerij noemde men in het Latijn'
tegularia' en in het Oud-Vlaams 'tichelrij'.
Dit ambacht vonden we ook terug in Vertrijk en
omstreken.
In 1514 bestond er zulke tichelrij te Boutersem op de Werenberg. Daar
men reeds de uitbater ervan kende, Claes Calissen, , kon zij niet zeer
oud geweest zijn.
Een beetje hoger, maar dan onder Vertrijk, boven de
spoorwegbrug en links van de Boststraat, moet er nog zulke bakkerij
gestaan hebben. In 1505 spreekt men er nog van een tichelberg, dus een
heuveltje van tichelafval, maar ook dat was kort daarna verdwenen.
Nog een andere tichelrij moet er te Vertrijk bestaan
hebben. Dat kan men afleiden uit de naam van een paar straten. De straat
van Francis Adams naar de Wittebos had vroeger verschillende namen:
Tichelrijstraat en ook Straat naar de Tichelrij. Kwam men van uit het
westen, dan klonk het: straat van Nedervelpe naar de Tichelrij. Het
middenpunt van die tichelbakkerij moet dan die plaats geweest zijn van
de Wittebos, waar vijf wegen samenkwamen, waaronder de Oude Baan van
Geldenaken naar Aarschot. Toevallig is dit de hoogst gelegen plaats van
Vertrijk: 96 meter boven de zeespiegel. Deze hoge ligging van de
Wittebos doet ons veronderstellen dat de Romeinen deze plaats gebruikt
hebben als uitkijk- en bewakingspost.
Zo leerden zij al spoedig de speciale aard van de
bodem kennen. Op die plaats, langs de noord-westhoek, hebben ze de bodem
niet uitgehold: daar steekt grijze potaarde, die ze liever niet
gebruikten. De noordkant is zanderig en die wensten ze ook niet, maar de
zuid- en oostzijde van de Wittebos vertonen duidelijk sporen van
uitholling. De uitgestrektheid van het bewerkte terrein laat ons toe te
veronderstellen dat men er, met de middelen van de oude tijd, gedurende
honderden jaren moet gewerkt hebben in de tichelklei, voor 1500..Immers,
lang voor 1500 was de tichelrij reeds verdwenen, bij gebrek aan
grondstof. Langs de zijde van Neervelp en Dalem heette dat terrein
vroeger het 'Valvekensveld', hetgeen er vermoedelijk op wijst dat het
veld met trappen van een perceel op het ander afdaalde.
Waarom? Omdat men de grond stuk na stuk van de
kleilaag had ontdaan. Heel het veld, genoemd 'Papendaal' ligt bijna één
meter lager dan de oude bossen ernaast, zelfs hier en daar lager dan de
straat naar Neervelp. Aan de bovenzijde, vlak tegen de hoogte van
Wittebos, werd zelfs een nieuw stuk bos aangelegd in een kuil. Dit zijn
allemaal duidelijke tekens van uitholling, niet door de natuur, maar
door de mens.
Noord- oostwaarts ligt het veld met de eigenaardige
naam van 'Schotelveld' of 'Schoteivat'.Die veldnaam 'Schotelvat' komt
misschien van het feit dat aldaar aarden schotels en aarden vaatwerk
voor de keuken gefabriceerd werden.In het midden ervan is de bodem
duidelijk verlaagd.
Als we nu 'Valvekensveld', 'Papendaal' en
'Schotelvat' samenstellen, bekomen we een totale oppervlakte van ca 60
bunder of 75 hectaren, waar men de klei heeft uitgestoken. Nadat de
grond aldus was omgewoeld en van rode leem ontdaan, werden door de
Romeinen op de beste stukken wijndruiven geplant. Zo vinden we in 1500
in de omgeving van de Wittebos minstens 3 percelen, waarvan men zegt :'
nu land, dat eertijds wijngaard plach te zijn'! Het overige liet men
braak liggen en werd heel spoedig terug door houtgewas overwoekerd!
Er is nog een andere curiositeit.
Als ge in de Keizerstraat van het hof 'Vanlaer' naar
het hof van 'Vandeborne' gaat,komt ge halverwege links aan een helling;
daar ligt een veld van meer dan 7 bunders (9 ha) tot tegen Kwabeekbos.
Dat veld heette vroeger de 'Meutel'
of 'Mortel', uit die helling is blijkbaar vroeger iets onderuitgehaald.
De naam 'Meutel' zegt ons dat de opgedolven stof een bleke krijtachtige
leem moet geweest zijn, zeer geschikt om mee te metsen in die tijd. De
mensen behielpen zich toen zoveel mogelijk met de materialen die ze ter
plaatse vonden.
|