Om het land te besturen en in bedwang te kunnen
houden, moesten de Romeinse soldaten zich zo snel mogelijk kunnen
verplaatsen met hun paarden en oorlogswagens. Mede voor het onderhouden
van de handel tussen de belangrijke centra moesten ze dus wegen aanleggen.
De Romeinen gebruikten zoveel mogelijk reeds bestaande
sporen en dat waren dan vooral de holle wegen uit het stenen tijdperk. Zij
hebben gewoon die wegen verbreed en met elkaar verbonden. Bergen en
moerassen schuwden
ze en op die plaatsen trokken ze
hun wegen rond die plaatsen.
Een van die Romeinse wegen liep van oost naar west door
het Belgisch kolenwoud: het was de baan van Tongeren naar Boulogne sur Mer
in Noord-Frankrijk, o.m. over Tienen. Het is haast zeker dat er in Tienen
minstens vijf Romeinse sporen samen kwamen en die allen naar het westen
liepen. Tussen Tienen en Leuven moet er in die tijden heel wat 'trafiek'
geweest zijn, die onmogelijk kon opgevangen worden door een enkel spoor:
er moeten dus meerdere - twee of drie - wegen geweest zijn tussen die twee
steden.
Vertrijk is hierbij steeds een belangrijk doorgangs- en
kruispunt geweest (De meeste gegevens over deze Romeinse wegen komen uit
het Typografie boek of Kaartentekenboek van de abdij van Park uit 1661).