De voornaamste algemene kenmerken van de uilen zijn: een
grote kop met schijnbaar korte hals, naar voor gerichte ogen, haksnavel en
sterke klauwen.
Ze
hebben een goed gehoor.
Aan de voor -en achtereinden
en op de bovenkant van de vleugel zijn de lange slagpennen omrand met dons,
dit dempt het geluid van de vleugelslagen.
De biotoop van de kerkuil bevindt zich vooral rond
boerderijen en in de dorpen. Daar vinden ze de onontbeerlijke wegbermen,
boomgaarden, akkers en sloten, nodig voor zijn verder bestaan. De
kerkuilen verschillen van de overige uilen door een iets langere
skeletbouw en door verhoudingsgewijs kleinere ogen die in het
"hartvormige" gezicht staan.
Hoewel ze algemeen verspreid zijn, zijn kerkuilen bij ons
weinig talrijke broed- en standvogels.
Zijn nest- en rustplaatsen heeft hij in bijgebouwen van
boerderijen, in oude gebouwen, kerktorens en hoge bomen.
Soms worden kerkuilen wel eens op klaarlichte dag gezien,
maar ze komen meestal pas tegen de schemering te voorschijn.
Door hun witter verenkleed vallen ze vlug op. Ze vliegen
op een hoogte van ongeveer 4 â 6 meter. Ze hebben een vast parcours dat ze
nacht na nacht afleggen. Ze cirkelen dan rond en af en toe laten ze zich
op de grond vallen om een prooi te grijpen. De buit wordt meegenomen naar
het nest of naar een vaste rustplaats. Deze plaatsen zijn herkenbaar
doordat de grond eronder bezaaid is met braakballen die bestaan uit
uitgebraakte onverteerbare botjes, haar en
pantsers van insecten.
Via
deze braakballen kan men nagaan waaruit het voedsel van de kerkuil bestaat.
Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 95% van het voedsel
bestaat uit kleine zoogdieren, zoals muizen, ratten en mollen. De overige
5% bestaat uit vleermuizen, konijnen, nachtvlinders, Is nachts vliegende
kevers, kleinere vogels en af en toe kikkers en visjes.
De broedtijd valt van maart tot september.
Er wordt geen nest gebouwd, de
eieren worden gewoon tussen de braakballen gelegd. Het legsel bestaat
gewoonlijk uit 4 tot 7 witte eieren. Alleen het wijfje
broedt.
Dit duurt ongeveer 5 weken en in die tijd wordt ze door
het mannetje op het nest gevoederd.
De jongen komen niet tegelijkertijd uit, doordat het wijfje
met broeden begint vanaf het eerste ei. Na 9 â 12 weken verlaten de jongen
het nest en zwerven tegen de winter uit om ergens een eigen territorium af
te bakenen