Heemkundige kring
VELPELEVEN
- Boutersem
 

 
 
   

"Artikel - Jaargang 2002, nummer 3; Natuurstudie - De kerkuil."

De voornaamste algemene kenmerken van de uilen zijn: een grote kop met schijnbaar korte hals, naar voor gerichte ogen, haksnavel en sterke klauwen.

Ze hebben een goed gehoor.

Aan de voor -en achtereinden en op de bovenkant van de vleugel zijn de lange slagpennen omrand met dons, dit dempt het geluid van de vleugelslagen.

De biotoop van de kerkuil bevindt zich vooral rond boerderijen en in de dorpen. Daar vinden ze de onontbeerlijke wegbermen, boomgaarden, akkers en sloten, nodig voor zijn verder bestaan. De kerkuilen verschillen van de overige uilen door een iets langere skeletbouw en door verhoudingsgewijs kleinere ogen die in het "hartvormige" gezicht staan.

Hoewel ze algemeen verspreid zijn, zijn kerkuilen bij ons weinig talrijke broed- en standvogels.

Zijn nest- en rustplaatsen heeft hij in bijgebouwen van boerderijen, in oude gebouwen, kerktorens en hoge bomen.

Soms worden kerkuilen wel eens op klaarlichte dag gezien, maar ze komen meestal pas tegen de schemering te voorschijn.

Door hun witter verenkleed vallen ze vlug op. Ze vliegen op een hoogte van ongeveer 4 â 6 meter. Ze hebben een vast parcours dat ze nacht na nacht afleggen. Ze cirkelen dan rond en af en toe laten ze zich op de grond vallen om een prooi te grijpen. De buit wordt meegenomen naar het nest of naar een vaste rustplaats. Deze plaatsen zijn herkenbaar doordat de grond eronder bezaaid is met braakballen die bestaan uit uitgebraakte onverteerbare botjes, haar en pantsers van insecten.

Via deze braakballen kan men nagaan waaruit het voedsel van de kerkuil bestaat.

Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 95% van het voedsel bestaat uit kleine zoogdieren, zoals muizen, ratten en mollen. De overige 5% bestaat uit vleermuizen, konijnen, nachtvlinders, Is nachts vliegende kevers, kleinere vogels en af en toe kikkers en visjes.

De broedtijd valt van maart tot september.

Er wordt geen nest gebouwd, de eieren worden gewoon tussen de braakballen gelegd. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 4 tot 7 witte eieren. Alleen het wijfje broedt.

Dit duurt ongeveer 5 weken en in die tijd wordt ze door het mannetje op het nest gevoederd.

De jongen komen niet tegelijkertijd uit, doordat het wijfje met broeden begint vanaf het eerste ei. Na 9 â 12 weken verlaten de jongen het nest en zwerven tegen de winter uit om ergens een eigen territorium af te bakenen

 

door Jean Vits

 

Copyright © Velpeleven Boutersem
Web: Dany