De
Graven van Leuven moeten,
nadat zij hier in een weide of "sale", of een vochtige
laagte of "sâl", aan een kleine heuvel of "buts",
(vandaar waarschijnlijk de naam Butsel), een versterking hadden opgericht
die het kruispunt van de Romeinse weg van Tienen naar Leuven met de Velpe
beheerste, als laatste wachtpost voor de hoofdplaats van het graafschap, die
burcht samen met de nabijgelegen nederzettingen en met het deel van Vertrijk,
gelegen aan de linkeroever van de Velpe, geschonken hebben, misschien aan
één van hun verwanten, alleszins aan één van hun naaste medewerkers die hen
hadden bijgestaan bij de verovering van het graafschap Brunengeruz.
Dit gebied kreeg
de benaming "Baltersem",
ofwel naar de bezitter op het ogenblik van de verovering, namelijk
prins-bisschop Balderik van Luik, maar meer waarschijnlijk naar graaf Larnbrecht II BALDERIK, zoon van Lambrecht
I, die regeerde van 1040 tot 1063.
Alleen
Boutersem met Hoogbutsel had een "allodiale
status", hetgeen wil zeggen dat de heer er het volledige eigendomsrecht
bezat. De rest van de huidige gemeente Boutersem
werd in verschillende lenen of onderlenen gehouden van
de hertogen van Brabant. De "Baltersem'
s" waren dus een stuk beter gegoed dan de andere
dorpsheren die zich met een "feodum" of leengoed moesten tevreden stellen.
Enkele getalletjes:
Deze
cijfers geven enkele gegevens wat betreft het aantal inwoners.