Kerkom maakte samen met Kumtich, Roosbeek en Meensel, deel uit van een domein dat omstreeks 840 door Lodewijk 1 de Vrorne, zoon van Karel de Grote, geschonken werd aan de
abdij
van Cornelimunster of van Inde in de omgeving van Aken.
Zusters van de Orde der
Cisterciënzers, Later van "La Ramée" genoemd, kregen van die abdij een
aanzienlijk leen in Kerkorn waarop zij een klooster oprichtten met kerk en
nabijgelegen graanschuur.
Toen de graven van Leuven Brunengeruz in bezit namen, eigenden zij zich ook de voogdij over de
kloostergemeenschappen toe.
Op grond hiervan gaven zij
het domein in kwestie in onderpacht aan één van hun trouwe vazallen, die dan
"van Kerchem" genoemd werd.
Vervolgens ontstonden in Kerkom, onafhankelijk van de rechten van de abdij van Cornelimunster, naast
het "Leenhof van Kerkom", nog andere cijnshovén waarvan de voornaamste "Bijvoorde"
en "Velphoven"waren.